Inleiding | Roelof + Alto + Landverhuizers + Schilderij-1 + Schilderij-2 | Warnerius + citaten  | Aäron | Zwolse Courant
Philip Jacob 1819 | Berend 1829 | Jacoba brief + Jacoba interview | Shirley Sleysterboek

Roelof Sleijster (1815-1882)
Thomas > Thomas > Willem > Jan Jurjen > Jan Willem > Roelof > Jan Willem > Roelof

 LANDVERHUIZERS
een historische roman door P.J. Risseeuw      

Dit is een uittreksel uit het boek "Landverhuizers" van P.J. Risseeuw. 


Het origineel van het boek bestaat uit drie uitvoerige delen. De taal is soms een beetje ouderwets, maar het verhaal is mooi en spannend. Bijna alle passages betreffende
Roelof Sleijster en Johanna Liesveld heb ik in dit uittreksel opgenomen. De rest is weggelaten, maar er is toch een compleet en leesbaar en spannend verhaal overgebleven, zodat we een goed beeld krijgen van dit deel van onze familiegeschiedenis.

De schrijver heeft, na nauwkeurig onderzoek, zeer veel historische gegevens in dit boek verwerkt. Daarom is het zelfs tot in de details een historisch betrouwbaar document geworden. Met name de volgende details vinden we in het boek terug:
- de theologische studie van Roelof in Arnhem
- zijn rol van bemiddelaar om een geschikte kolonieplaats te vinden
- de brief voor "de gelovigen in Amerika"
- de brief van Roelof Sleijster d.d.25 augustus 1846 naar Nederland
- de reis van Johanna Liesveld naar Wisconsin, vertrek 1 april 1847
- de woonplaats van Roelof Sleijster in Alto/Waupun.


Woord vooraf van de schrijver.

In de trilogie LANDVERHUIZERS, welke na de vijfde druk in 1953 thans in een enigszins verkorte vorm wordt uitgegeven, is de grote uittocht der Nederlanders naar Amerika beschreven, welke aanving in de jaren 1846-1847.

De voornaamste leiders dezer landverhuizers waren de predikanten A.C. van Raalte te Arnhem, H.P. Scholte te Utrecht, Brummelkamp te Hattem en C. van der Meulen te Goes.

De oorzaken van deze exodus waren de sociale nood in Nederland en de smadelijke bejegening der zogenaamde "afgescheidenen".

Het verlangen naar volkomen vrijheid van godsdienst en onderwijs gaf in ons land een godsdienstig karakter aan de emigratiekoorts, die niet alleen in Nederland, maar vooral ook in Duitsland en Engeland woedde. Eenmaal aangekomen in de Verenigde Staten vonden van Raalte en Scholte c.s. een hartelijk onthaal bij de nazaten van de zeventiende-eeuwse Hollandse pioniers, die in New York (Nieuw Amsterdam) en Albany (Beverwijck) na twee eeuwen tot grote welstand waren gekomen.

Van Raalte trok met zijn arme landverhuizers naar de wouden van Michigan waar hij het stadje Holland stichtte.

Scholte zocht voor zijn (meer gegoede) boeren de vette prairiegronden van lowa. Hij noemde zijn dorp Pella.

De reiziger die ruim een eeuw later deze landstreken bezoekt aanschouwt een rijk en welvarend land, bewoond door de nazaten van de pioniers van 1847, die de huilende wildernis onder grote ontberingen hebben ontgonnen.


LANDVERHUIZERS
een historische roman door P.J. Risseeuw

1846 De Theologische Hogeschool van de Afgescheidenen te Arnhem.

Van Raalte is ongeduriger, driftiger. Hij dwaalt nog al eens af, doch is nooit saai zoals de Israëliet Izak Waterman, die Hebreeuws geeft.
De lessen van Veenhuizen, die Parijs kent en vreemde talen onderwijst, hebben de bekoring van de internationale sfeer, die onlosmakelijk aan zijn persoon gebonden is. Hij staat de studenten in leeftijd het dichtst bij, al behoren ook Brummelkamp en Van Raalte nog tot de dertigers.
Het meest gevreesd is het vrijdagse preekcollege. Het is vooral Van Raalte, die, staande naast de stoel van Brummelkamp, kan uitvallen:
- Meneer ten Bokkel... u staat hier niet op de planken van een theater... Doet u maar gewoon... het is toch niet noodzakelijk er meer dan één stem op na te houden.
- Uw houding, meneer Wildebeest... en let eens op uw handen. Probeert u uzelf onder controle te houden... u hebt minstens al tien keer in dit korte tijdsbestek de vorm van een moderateurlamp nagetekend...
- Te stijf meneer Sleyster... te stijf. Maak uw stem wat losser... probeer wat minder te preken en wat meer te praten. Ik moet u ook waarschuwen voor uw aanspraak in het gebed. Er zijn, met eerbied gezegd, passages in uw gebed, welke beter passen in de preek. Het is niet de bedoeling in ons gebed te gaan preken. Leest u eens meer in de gebeden van Calvijn... Hoe sober, hoe dringend... wat kunnen we daar van leren!

Om half twee komt men tezamen voor het hoogtepunt van de dag: het middagmaal. Ook Sitske en de inwonende studenten zitten mee aan. Het lijkt hier wel altijd de zoete inval, denkt Sitske, die gewend is aan de sobere maaltijden thuis.
Het is altijd de gastheer, die elke maaltijd tot een hoogtepunt van de dag maakt. Anthony Brummelkamp is gul - zijn vriendelijk blozend gezicht, zijn bruine krullen, zijn levendige ogen, zijn vrolijkheid met de kinderen en zijn zin voor humor maken hem tot een zonnig mens.

's Avonds, in de intimiteit van haar eenvoudige salon, verwelkomt Christien het kleine clubje gasten.
Als eersten treden Anthony en Maria binnen, met hun oude vader Johannes Brummelkamp, kras voor zijn tachtig jaren en tuk op een feestje, hoffelijk als altijd in zijn aanspraak tot de gastvrouw wier smalle hand hij lang in de zijne houdt.
- Lieve Christien... De Here heeft jullie wonderlijk gezegend in een gelukkig huwelijksleven... Geve God dat je beiden nog lang gespaard moge worden voor elkander, voor je lieve kinderen en niet in het minst voor het werk in de wijngaard des Heren.
- Dank u vader Brummelkamp, zegt ze bewogen en kust hem in zijn grijze baard.
Wat later komt Adriaan Veenhuizen met zijn vrouw, Agnes Brummelkamp, Anthony's jongste zuster.
Dan is het gezelschap compleet en gaan zij na een likeurtje vooraf, tegen half negen aan tafel voor het soupeetje, waarop Christien zich kinderlijk heeft verheugd. Samen met Maria heeft ze alles zorgvuldig overlegd en de kelders nagezien. Voor de allergrootste verrassing heeft Hilbert de Kleine gezorgd, een ouderling uit Van Raaltes eerste gemeente, die geen jaar heeft overgeslagen met zijn present op hun huwelijksdag.

Na een hartelijk gebed van Albert worden de servetten uitgehaald en geurt een fijne kippesoep hun tegemoet uit de geopende telloor.
- Help me onthouden, zegt Anthony zacht tegen Albert, dat ik je straks een brief laat lezen, zo juist door Sleyster uit Amerika ontvangen...
- Goed nieuws? vraagt deze gretig.
- Uitstekend...
Dit laatste zegt hij wat luider, met een knikje in de richting van de gastvrouwe, waarmee hij twee vliegen in één klap slaat. Want ook de soep is uitstekend en over Amerika mag voorshands liever nog niet gesproken worden.
En Christien, moe en gelukkig dat alles vanavond nu toch nog zo naar wens gaat, ziet de kleine kring dankbaar rond met iets van de weemoed, die haar immer bevangt tegen het einde van een nieuwe zwangerschap, dat dit alles wel eens voor de laatste maal zou kunnen zijn.
Dan zet Jennigje, haar dienstbode met een glimp van verstandhouding in haar ogen, een grote dekschaal in het midden van de tafel. Daar komen de vleesschalen omheen en ook de kleinere schalen die een uitgezochte keur van groenten bevatten.

Maar onwillekeurig is toch de aandacht gevestigd op de middelste schotel.
Het is Christien, die, wanneer de nieuwe gang aan de beurt is, met een fijn lachje het deksel oplicht. .
- Nee maar... kijk dáár eens... Hoe kom je dáár aan...? klinken de stemmen opgetogen dooreen, want wat niemand dorst vermoeden: de schaal waarop aller ogen zijn gericht is gevuld met aardappelen, zo mooi en zo heerlijk als de gasten in twee jaar niet hebben gezien noch geproefd.
- Laat het jullie goed smaken... nodigt de gastvrouw, genietend van haar succes, nu sinds twee winters aardappelen een ware luxe zijn geworden, die slechts een rijkaard zich kan permitteren.
Na het eten is er nog wel tijd voor een kopje thee, dat Christien zelf wil schenken in het fijne blauwe Delftse servies, dat slechts bij bizondere gelegenheden gebruikt wordt.
De heren zijn aangeland bij hun geliefd onderwerp. Als Maria haar zwager Albert van terzijde beziet, treft haar de nauw verholen hartstocht waarmee hij over Amerika spreekt. Zoals hij daar naast zijn stoel staat, klein van postuur, met zijn sprekende kop en levendige grijze ogen, die zo nu en dan iets stekends hebben, zou je niet zeggen dat hij pas vier en dertig jaar is.

Anthony, hoewel slechts drie dagen ouder, maakt een veel meer geposeerde indruk, misschien ook door zijn lengte en zijn sprekende krullebol; in ieder geval is hij veel gezetter dan Albert.
- Is het zo, dat Sleysters plannen al vast staan?
- Wat is er met Sleyster? vraagt Christien terloops.
- 0 niets... hij wil immers naar Amerika?
- Noem dat maar niets! zegt ze met een zenuwachtig trekje om haar iets te brede mond.
- Lees nu die brief eens voor... noodt Albert, die zijn verlangen niet meer kan bedwingen.
Even aarzelt Anthony nog, doch nu het onderwerp toch reeds is aangeroerd en het gesprek beheerst, overwint hij met een snelle blik naar Christien zijn schroom.
Vader Brummelkamp, geďnteresseerd, schikt bij. Veenhuizen is een en al oor - de vrouwen praten nog zacht met elkaar, beginnen dan onwennig te luisteren...
- De brief komt uit Milwaukee, in Wisconsin, en is gericht aan Sleyster...

"Het viel mij hard," aldus de briefschrijver, "Winterswijk te moeten verlaten, maar ik wens er nooit meer te zijn. De geringen zijn hier zo veel als de rijken. Men behoeft voor niemand de hoed af te nemen. De rijken eren ons, omdat wij voor hen werken. Godsdienst is vrij en Gods volk is hier veel; wij hebben ons er mee verenigd. Hier is een volksregering, is men vijf jaar landbezitter dan is men burger en kiezer! Adel is hier niet. Wij hebben hier geen ambtenaren als honden aan de deur staan, die zoals bij u, het zuur verdiende loon komen opeisen en ons brood, onze brandstof, onze woning en het schoolonderwijs zo duur maken, dat de geringe dagloner in zijn schamele woning moet hongeren en kleumen en onder gebrek en ontbering miskend wordt. Bij u krijgen de vrouwen en kinderen der dagloners geen spek of vlees te proeven. Zij eten hun sobere spijzen uit het water en moeten in hun armoede van turf, brood, zout en zeep en wat al niet meer belasting betalen. Hier hebben zij drie keer daags spek of vlees en in plaats van rogge- uitmuntend tarwebrood.
Blijf toch niet langer in dat verdrukté land. Doe het om uw kinderen. Op het schip behoeft ge geen vrees te hebben, zorg maar voor goede levensmiddelen. Die hadden wij niet.
Nogmaals: de godsdienst is hier vrij, zonder tussenkomst van de staat. Bij u moeten de gescheidenen dubbel betalen en zijn zij uitgesloten van het schoolbestuur. Bij u aanbidt men het geld en die van aanzienlijke afkomst zijn..."

Er valt even een stilte als Anthony is opgehouden. Het is Christien en Maria aan te zien dat de toon haar niet bevalt. Van huis uit hebben zij nimmer omgang gehad met de mindere man en in de pastorie zijn zij de domineesjuffer gebleven, behoudens de verplichte minzaamheid toch op een afstand van de minder bedeelden.
- Voor iemand die helemaal geen raad meer weet..., nou ja... zegt Christien afgemeten. Het zou voor Sleyster beter zijn als hij eerst eens rustig afstudeerde. Hij heeft toch zijn Johanna Liesveld uit het Nieuwe Weeshuis?
Albert trommelt met de vingers op de tafel. Steeds als Christien min of meer afstand neemt tot het onderwerp "Amerika" voelt hij, dat ze er nog geenszins voor gewonnen is en dat het hem aan geduld ontbreekt de weg te ontginnen; dat hij, ouder gewoonte, haar te veel ziet zoals hij haar zou wensen, maar te weinig zoals ze is...
Het zal hem echter niet weerhouden met dit werk door te gaan. Deze arbeid moet gedaan worden.. er zijn duizenden die op leiding wachten als schapen zonder herder. Anthony en hij kunnen in ieder geval meehelpen de weg te effenen en pogen het volk bijeen te houden opdat het in zijn onwetendheid niet verstrooid worde in den vreemde.

Vaste plannen.

De volgende avond zitten de broeders zoals altijd tot laat in de avond te praten over de armenbedéling. Er wordt geworsteld met de klimmende nood en een lege buidel en telkens bekruipt hen het gevoel dat al hun hulp slechts een druppel op een gloeiende steen is... Nu de plannen voor Amerika vastere vorm krijgen, wonen ook Brummelkamp en Van Raalte de vergaderingen bij. Alles is geprobeerd: voorzorg, voorschotten, de mensen zijn uit de Bank van Lening gehouden, er is gesteund in natura: rogge, inmaak, brood en kleding, er is rondgezien naar werk... en nog, nog zakt het levenspeil der ondersteunden zienderogen...
- En zo is het nu in het ganse land... Heldring heeft ons nog wel andere toestanden blootgelegd... valt Van Raalte scherp uit.
Broeders... ik heb kennis genomen van het loffelijke plan dat Wormser heeft ontworpen. Maar het is mijn mening, dat wij op de uitwerking van dit veel omvattende plan niet kunnen wachten. Wij zijn geroepen op kortere termijn iets voor onze armen te doen. Er moet een begin zijn; het moet mogelijk zijn een kleine groep vooruit te sturen die in de havensteden aan het werk kan komen en daar wachten op de anderen die nakomen.
- Het zou mij liever zijn, het plan van Wormser uit te werken en niet zo overhaast te werk te gaan... zegt de voorzichtige Donner. Het is niet de eerste maal dat hij de voortvarende Van Raalte tegenkomt.

Maar ook Roelof Sleyster wenst een woord te spreken.
- Ik kan de broeders meedelen, zegt hij, dat ik besloten ben de reis naar Amerika nog dit voorjaar te ondernemen... Ik gevoel mij reeds lang gedrongen mij te voegen bij onze land- en geloofsgenoten in Wisconsin die, zoals de broeders bekend is, reeds vroeger zijn vertrokken en met wie ik sedert geruime tijd in briefwisseling sta.
Het is Brummelkamp die Sleyster antwoordt: de leermeester, die node een van zijn begaafdste leerlingen ziet vertrekken.
- Wij weten dat het broeder Sleyster niet om aards gewin is te doen; hij wil ook daar de gemeente van Christus dienen, al smart het ons, hem te zien heengaan voordat hij zijn opleiding als dienaar des Woords heeft voleindigd.
Zo is Roelof Sleyster één der velen wie de trek naar het land overzee te machtig is geworden, die gehoorzaamt aan de geheimzinnige drang, het land te verlaten en een onbekende toekomst tegemoet te gaan.
De broeders hebben het gevoel, dat nu ook hier het ijs is gebroken. Met Gods hulp zullen ze kloeke daden doen.


Van Raalte is vroeg opgestaan: hij is wakker geworden met het blije gevoel dat een grote dag was aangebroken. Hij heeft de laatste dagen hard gewerkt aan een pamflet over de landverhuizing, waarvoor hij met Brummelkamp samen de stof heeft verzameld. Het ligt in hun bedoeling zich met deze brochure eerlang tot het Nederlandse volk te richten ten einde rekenschap af te leggen van de beweegredenen, welke hen er toe brachten de leiding op zich te nemen.

Hij denkt er over in dit boekje een afschrift op te nemen van de brief aan de gelovigen in Amerika en ook een paar brieven van reeds eerder vertrokken landgenoten uit de Achterhoek.
Van Raalte voelt zich vanmorgen jong en sterk en weer overvalt hem dat eigenaardige gevoel, dat zij bezig zijn historie te maken; dat er in deze weken en maanden beslist wordt over het wel en wee van honderden, ja misschien wel duizenden landgenoten. Er gaat iets groots gebeuren, al is het begin nog zo simpel en gebrekkig. Het komt er maar op aan, de stroom van emigranten, die toch niet meer is te keren, op te vangen en in goede banen te leiden.
Hun grootste zorg is, mensen te vinden, die in Amerika de leiding zullen kunnen overnemen. Zal het Sleyster zijn? Of Barendregt of Scholte? Hein Scholte, die van plan is zelf mee te trekken? Er is geen nummer van zijn lijfblad De Reformatie of er staat een artikel over Amerika in.


Het vertrek.

Van Raalte zit in zijn studeerkamer.
Het papier, dat voor hem ligt, is nog zo goed als onbeschreven en gedateerd op 25 mei 1846. Ook de aanhef in zijn forse handschrift ontbreekt niet:

"Aan de gelovigen in de Verenigde Staten van Noord-Amerika."
Onze wens is, dat het binnenland van Amerika plaats heeft voor ons volk, opdat 't door bebouwen zijn tijdelijk onderhoud moge kunnen vinden tot redding van zijn geslacht uit de jammeren ener ten ondergang gedoemde maatschappij.
Wij gevoelen wel, dat uw schouderen ook wel ten uwent door velerlei roepingen gedrukt zullen worden; doch ook weten wij dat de christenen in Amerika nog gespaard zijn van die bange werkloosheid, kwijning in nering en uitmergelende belastingen, welke ons volk zo bezwaren.
In volle bewustheid dat het Koninkrijk Gods niet bestaat in woorden, maar in kracht; dat wij moeten liefhebben met daad en waarheid; dat wij elkanders lasten moeten dragen; de geboden Gods ten koste van wat het ook zij moeten gehoord worden; dat men daarom het gebod van werk en eet niet scheiden mag; dat ieder christen zich schuldig moet weten zijn huis te verzorgen, waar het dan ook zij, ja meer dan dat moet zoeken, weduwen en wezen in hun verdrukkingen te kunnen bezoeken en Gods rijk van zijn goed te kunnen dienen; dat men zich onbesmet hebbe te bewaren van de wereld en zijn kroost niet in algemene zedekunde, maar in vermaning en lering des Heren moet opvoeden; en in volle bewustheid dat wij, hoewel omgeven met talloze duisterheden en afdwalingen, niets hartelijker begeren dan de tijd onzes levens de Here te dienen, leggen wij onze bede voor u neder, en bevelen dezelve de Here aan, Die regeert, de harten buigt en doet al wat Hem behaagt."

Van Raalte haalt diep adem: de brief is klaar. Dan ziet hij, dat Christien koffie heeft gebracht: zij zit op een stoel te wachten tot hij ophoudt met schrijven.
Ze kent zijn werkdrift, zijn vasthoudendheid, zijn humeur ook als hem iets in de weg wordt gelegd.
- Zie zo, zegt hij. - Als Anthony nu de brief nog mee ondertekent kan Sleyster hem volgende week meenemen. Hij is voorlopig onze bemiddelaar en moet na zijn aankomst contact zoeken en zo mogelijk een geschikte plaats voor de kolonie.
Hij zit in zijn stoel en steunt het hoofd in de rechterhand. Christien ziet opeens dat hij er moe uitziet.
- Je werkt toch niet te hard, Albert? vraagt ze zacht.
Hij knikt; er is veel werk verzet, de laatste maanden. Over drie dagen vertrekken de Arnauds... over een goede week de groep van Sleyster.
De Arnauds koersen op Boston aan, waar ze in hun ambacht zeker werk zullen vinden en wachten op de nakomenden. Maar van Sleyster hangt veel af: hij gaat met opdrachten van de vereniging.
Van Raalte heeft het gevoel dat hij eerst zal kunnen rusten als de eerstelingen vertrokken zijn.


Die laatste nacht.

Alleen de kinderen slapen - de ouders waken en sluimeren bij tussenpozen. Op twee bedden na is alles ingepakt en reeds op de Rijnboot gebracht.
Om negen uur begeven zij zich, geheel gereed, volgens afspraak naar de kerk in de Varkensstraat, waar een groot deel der gemeente is bijeengekomen om hen christelijk uitgeleide te doen. Ze hebben vooraan plaats genomen, Derk en Louise met de kinderen. De kleine Janna zit tussen vader en moeder in. Naast hen zitten Willem Strick en Francijntje met hun zonen Jan Jacob en Derk en dochters Klazientje en Geertruida.

Ds. Brummelkamp heeft de kansel beklommen.
In het volle gewicht van dit uur slaat hij de Schrift open en leest met bewogen stem de honderd een en twintigste Psalm. Woord voor woord zinkt in de harten der aanwezigen: balsem voor de ziel en teerkost op de weg.
Wat is het goed hier te zijn, om onder de ogen des Heren elkaar te groeten, wellicht voor immer!
Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van den Here, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
- Onze gedachten vermenigvuldigen zich in deze ure, zegt Brummelkamp in de doodse stilte, die gevolgd is op het voorlezen van de psalm.
- Hier in dit bedehuis, waar gij iedere rustdag het Woord Gods hebt gehoord, waar gij week aan week zijt gesterkt in de moeilijke strijd des levens, willen wij u, broeders en zusters, in deze laatste ogenblikken van scheiden, onder het oog van de Almachtige in Zijn hoede aanbevelen.
En nu - wie achterom ziet en zijn hand niet aan de ploeg slaat, is niet bekwaam tot het koninkrijk Gods. Daarom, lieve vrienden, kijk vooruit! Hij, Die u tot dusverre heeft bijgestaan zal ook in het verre Amerika uw God zijn. Moge het al smartelijk zijn zoveel goeds achter te laten - in het bijzonder denken wij hierbij aan uw ouders en verwanten - gij hebt steun aan elkander en gaat in de wetenschap, dat velen u zullen volgen, met wie gij u op Gods tijd weer zult verenigen, om dan gezamenlijk op te trekken naar de landstreek welke God ons beschikken zal.

Dan rijst Van Raalte op voor het gebed.
Zijn gebed is dringend, heel zijn bewogen hart spreekt in zijn pleiten op de beloften Gods voor zijn kinderen.
De korte dienst wordt besloten met het zingen van de 121e psalm. Ze zingen alle verzen en het meest ontroeren de kinderstemmen: De Heer zal u steeds gadeslaan, opdat Hij in gevaar, uw ziel voor ramp bewaar. De Heer, 't zij ge in of uit moogt gaan, of waar ge u heen moogt spoeden, zal eeuwig u behoeden.
Dan begeeft zich de stoet naar de aanlegplaats van de Rijnboot. Mensen komen voor de ramen en deuren staan en wijzen elkander meewarig: landverhuizers.

Lipsoom stopt de kinderen nog wat lekkers in de hand. De jongens zijn vol aandacht voor de stoomboot. Wel is de lente vandaag niet zo stralend meer, doch voor hun besef is het grote feest begonnen.
De vrouwen houden hun neusdoeken voor het afscheid gereed. Doch eer dan zij vermoeden laat de kapitein de stoomfluit loeien en begint het schip te trillen.
Vrouwen vallen elkaar om de hals en snikken. De oude Arnaud zegt bewogen: tot ziens kinderen... overzee ňf... en zijn arm maakt een schuchter, doch tegelijk machtig gebaar naar boven.
Hij schaamt zich niet voor de paar tranen, die hem naar ogen wellen.
De beide predikanten en de ouders gaan het laatst over loopplank terug.
- God zegen je...
- Goeie reis... behouden overkomst...
Langzaam vaart de boot de Rijn af. Al groter wordt de afstand tussen de kleine groep wuivende vertrekkenden en de achterblijvers in het lieve goede Arnhem...


Diezelfde avond haalt Roelof Sleyster Johanna Liesveld af aan het Nieuwe Weeshuis om voor het laatst de familie Brummelkamp te bezoeken.
De lente-avond geurt bedwelmend en Johanna is stiller dan anders. Hij voelt de warme druk van haar arm en hand en zoekt naar een goed woord.
- Nog één week, zegt ze zacht.
- Nog één winter, antwoordt hij - dan zijn we voor goed samen, Johanna. Je zult moedig zijn - ik weet het.
Ze durft er niets tegen in te brengen, want Roelof is zo zéker van alles. Hij heeft een vaste wil en een groot geloof. Zoals hij, eenmaal in het bezit van zijn moeders erfdeel, op zeven en twintigjarige leeftijd vastbesloten het schildersvak neerlegde om theologie te gaan studeren - zo is er thans niemand die hem er van zal kunnen terughouden weg te trekken naar Noord-Amerika, alwaar hij evenals hier de broeders wil dienen in het geloof, hetzij als diaken, hetzij, als God het wil, eenmaal als voorganger.
Johanna, die een voortreffelijke opvoeding heeft genoten in het Nieuwe Weeshuis, weet zich toegerust voor het leven; ook aan de ontwikkeling van haar muzikaliteit is zij niets tekort gekomen en heimelijk had zij gaarne gezien dat Roelof zijn studie had voltooid met als beloning een bescheiden pastorie voor hen samen. Doch zij heeft zich verzoend met de gedachte, wanneer de winter voorbij is hem spoedig te volgen.

In de pastorie van Ds. Brummelkamp hebben ze elkaar leren kennen - ze komen er als vrienden. Hier heeft de student en diaken Roelof Sleyster, die zich tot nu toe verre had gehouden van alle vrijage, Johanna Liesveld horen zingen. Er was iets in haar stem, dat sprak tot zijn diepste innerlijk. Zo hadden zij elkaar gevonden en Johanna zag hoog op tegen haar zeven jaar oudere verloofde.
Anthony en Maria Brummelkamp konden gerust zijn. Er was karaktervastheid en hoogachting aan weerszijden. Deze liefde zou bestand blijken tegen een ongewis en bewogen levenslot, met een kroon van welvaart in de levensavond.

Het orgel blijft vanavond gesloten; ze zitten gevieren om de tafel heen met de kaart van Wisconsin en een lijst van het gezelschap dat straks onder de zorg en leiding van Sleyster en Brusse zal vertrekken.
- We houden dus aan op Milwaukee als trefpunt. Ik reken er op dat je me vaak schrijft over je bevindingen. .
Roelof knikt. Wat zal het vreemd zijn, onder de hoede van zijn vaderlijke vriend uit te zijn.
- Wie weet of wij niet allen nog weer verenigd zullen worden aan de overzijde, zegt Brummelkamp. Wij beginnen in ieder geval met Engels leren.
- Daar ben ik ook al mee bezig, bekent Johanna met een lachje.
Roelof en Johanna zullen elkaar niet veel meer kunnen ontmoeten - in het half duister van het plantsoen nemen zij nu reeds voorlopig afscheid.
- Roelof ! Ze klemt zich aan hem vast en haar stem verraadt de nauw bedwongen emotie.
- Johanna, zegt hij teder. - Wij zijn in Gods hand

Een week later doet de gemeente van Velp en Arnhem de tweede groep landverhuizers uitgeleide.
Anthony Brummelkamp, die zijn gezin aanspoort om Engels te leren, weet nog niet dat zijn huis de eerstkomende jaren slechts een doorgangshuis zal zijn naar de nieuwe wereld, doch dat zijn eigen toekomst gebonden zal blijken aan de kerken der scheiding, die tegen alle verwachting in, wasdom zouden ontvangen niet alleen in het vaderland, doch in twee werelddelen.



De brief van Roelof Sleijster.

De eerste zondagen na Van Raaltes vertrek staat Anthony Brummelkamp op de kansel met loden schoenen. Het is alsof zij nu eerst recht goed beginnen te begrijpen wat er gebeurd is, nu er als het ware een gat geslagen is in de gemeente en nog zovelen der overblijvenden innerlijk reeds zijn losgemaakt om eerlang het voorbeeld der eerstvertrokkenen te volgen.
De vrijdagen zijn bij voortduur geheel bezet met Amerikawerk. Van Roelof Sleyster zijn er aan het adres van zijn ouders in Velp goede berichten over de reis en aankomst; het wachten is op zijn eerste, meer uitvoerige brief met inlichtingen over Wisconsin, waarheen nu ook Van Raalte op weg is. Met liefde wordt daarvoor de dure briefport betaald.

 

Waupont, ook Waupun,
in Wisconsin, 25 augustus 1846.

Waarde Heer,

Uit mijn brief van 15 dezer welke ik aan mijn ouders geschreven heb, zult gij vernomen hebben, dat ik behouden en in goede gezondheid in Wisconsin ben aangekomen en tot mijn standplaats of woonplaats heb gekozen Waupun, dat 86 mijlen boven Milwaukee ligt (3 mijlen is hier een uur), waar negen Hollandse huisgezinnen wonen. Het is hier vruchtbare zware kleigrond, weinig hout doch genoeg voor bouwen en branden, dus de gronden zijn hier veel gemakkelijker te bebouwen dan op andere plaatsen; goed water, een goede gezonde luchtstreek, geen belasting, geen wetten.
Alle belasting, die hier moet betaald worden, is één dollar op de tachtig akkers, voor het onderhoud van scholen, twee dagen van het jaar werken op de wegen, of twee dollars betalen voor iedere tachtig akkers die men in eigendom heeft.
Verkoopt men land, men neemt twee vrienden tot getuigen en men is zelf notaris, geen kosten hoegenaamd. Trouwt er een, hij gaat naar zijn priester en die is gereed, zonder geld te vragen. Gaat iemand van zijn vrouw aflopen, dat hier zelden voorvalt, op staatskosten wordt hij opgehaald, waar hij ook zijn moge, en weer bij zijn vrouw gebracht. Tollen op de wegen zijn hier niet, iedere sectie boeren moet zijn wegen in orde houden.
Is hier of daar in een dorp of stad een slechte burgemeester, hij wordt afgezet en voorts wordt er onder elkaar een ander gekozen; hij trekt ook geen tractement. Predikanten trekken hier ook geen tractement. Daarom behoeft het niemand te verwonderen dat men 's zondags een timmerman, molenaar of verver het heerlijk evangelie hoort verkondigen. Geen predikant kan hier aan de kleding gekend worden dan des zondags; de meesten zijn zeer vriendelijk, veel minzamer dan bij ons te lande de afgescheidenen.
Methodisten zijn hier veel. Zegt men dat men christen is en wandelt men als een christen, men is in aanzien.
De meeste achting kan men zich verwerven, door eenvoudig te preken, zonder vormen; kerkvergaderingen houden is niet goed bij hen, maar preken; geen partij trachten bijeen te rapen en geen tractement nemen, maar werken voor het brood.
Ik hoop deze winter, als de Heer mij gezondheid verleent, veel op te sporen voor ulieden. Raadt allen af, die in een andere staat willen gaan wonen, want die er gewoond hebben, trekken hier op aan.
Gereedschappen zijn hier beter, behalve spaden of schoppen. Huismiddelen moet ieder meenemen, vooral Haarlemmerolie, kamille, flier en lijnmeel.
Gij behoeft niemand te waarschuwen voor de avondlucht, die is hier gezond.
Ik heb tachtig akkers gekocht, 160 gekleemd; klemen is er recht aannemen voor een jaar - met het jaar moet men betalen, geen ander kan het kopen, men kan niet meer klemen dan 160 akkers en moet eerst burger worden. Dus broeder! Ik ben Amerikaans burger en geniet het volle stemrecht in alle zaken, hetwelk hier voor een christen van hoog gewicht is, als hij christelijk wil handelen en om christelijke raad te geven, zo op scholen als met andere zaken.
Die grond gekleemd heeft, moet er binnen de dertig dagen een huis op gebouwd hebben. Zo de Here mij gezondheid verleent, hoop ik mijn huis over acht dagen klaar te hebben; drie dagen heb ik mijn kost verdiend met timmeren, één met verven en nu weer acht met stucadoren.
Het land wordt hier ook niet gemest. Die geen geld heeft, weet ik niet te raden; die geld heeft en 1500 gulden in de binnenlanden kan brengen, kan in kort een grote boer zijn en helpen dan velen over. Direct over helpen is glad mis, want men moet hier een jaar leven eer men wat trekt, en alles is hier duur. Zijn er een paar goed bemiddelde mensen, dan kunnen die dezulken die over komen, eten geven en aan het werk stellen -dat vind ik de beste weg.
Die alleen wil beginnen, moet rekenen dat hij voor viermaal tachtig akkers grond 1000 gulden moet hebben; 3 jok ossen, welke 375 gulden kosten, een wagen van 125 gulden, een ploeg van 40 gulden, een jaar leven met vier manschappen 400 gulden en aan klein gereedschap 200 gulden. Komen zij met meer, dan is het meer dan de helft minder, want 3 jok ossen, een wagen, een ploeg, is ook genoeg voor vier huisgezinnen.
Maar men kan niet met minder dan 6 ossen ploegen, zegt een ieder. Het gras kost hier niets. Ik heb een stuk grond waar een klein welwater doorloopt, het is 8 ŕ 10 voet breed, en stroomt geweldig, maar ik kan het maar op twee plaatsen bezien, vanwege de lengte van het gras; als het met het najaar verdord is, dan kan ik eerst goed zien hoe het welwater door mijn grond loopt.
Toen ik de plaats uitzocht, waar ik mijn huis zou bouwen (hetwelk op een heuvel zal staan, 5 voet boven het water) was ik genoodzaakt het gras voor mij af te maaien, want er was waarlijk geen doorkomen aan.
Nu doe ik u nog een verzoek, broeder Brummelkamp. Daar waar ik kom, word ik verzocht te preken - tot nu toe heb ik alleen een preek gelézen, omdat ik mij niet wil indringen zonder uw goedvinden.
Als het verzocht wordt is het wel geen indringen, maar sommigen zouden kunnen menen dat ik daarom hier bleef. Geld is er niet mee te verdienen - maar mijn lust is er wel toe, dat weet gij wel. In de week werken en 's zondags driemaal en 's woendags eenmaal preken is hier de gewoonte. Ik kan zulks wel niet, maar een woord spreken kan ik.
De kerk duurt hier maar een uur, dat is goed voor iemand die pas moet beginnen. Hier is het de gewoonte, dat er twee predikers op een preek(stoel) staan, en het nagebed met de toepassing verricht een ander veeltijds, niet altijd.
Schrijf mij of gij mij toestemming geeft, zolang hoop ik een preek voor te lezen. Groet alle studenten van mij en zeg hun, dat ik mij gelukkig reken, hoewel ik om de andere dag mijn pot moet koken en zelf mijn goed moet uitwassen.
Het is aangenaam te preken waar de leden niet in besmetting leven en de leraar niet bevit wordt over de klederdracht en over de partij bij welke hij behoort; ook kan hier een leraar zeggen met Paulus: Deze handen hebben tot mijn nooddruft gediend en met Samuël: Van wiens hand heb ik een geschenk aangenomen?
Voor studenten, die op zijn elf en dertigst zijn opgebracht, is het hier mis, werken voor de kost, is het spreekwoord. Zijt allen gegroet van mij, inzonderheid uw vrouw en broeder Veenhuizen - nogmaals betuig ik u mijn hartelijke dank voor het genoten onderwijs.
Uw liefhebbende br. in Chr.
R. Sleyster.

P.S.
Wilt gij mij inliggende brief aan J.L. bezorgen? Iedere brief van u zag ik ook gaarne voorzien van een briefje van J.L. - ik hoop dat ik niet te veel van u verg. Als gij weet, waar de Arnauds zijn, hoor ik dat van u? Alle man moet zich wachten voor William Phaff, Deutsches gasthaus 5. H. Miltonstrasse, Albany.
De Duitsers zijn niet te vertrouwen.
Hier wonen nog enkelen uit Dinxperlo en Winterswijk. Ik heb opgemerkt, dat vele Hollanders bij vergroting geschreven hebben; ik wil, en zal altijd de bezwaren čn het goede schrijven.

 

's Middags aan tafel wordt het epistel voorgelezen, ter wille van de kinderen, Jansje en Geertje en ook Sitske, die niet minder nieuwsgierig is.
Bij het P.S., waarvan de eerste regels half binnensmonds gelezen worden, heeft ze gretig haar oren gespitst bij het noemen van de letters J.L. Ze kent Johanna Liesveld wel.. Ze heeft de verhouding van Roelof en Johanna altijd romantisch gevonden. Een muzikaal weesmeisje dat gevraagd wordt door een zeven jaar oudere man, die op latere leeftijd zijn moeders erfdeel gebruikt om zijn schildersvak neer te leggen en theologie te gaan studeren en dan, als het geld op is, een besluit neemt om naar Amerika te gaan, waarheen zijn bruid hem spoedig hoopt te volgen!


Arjaan knikt maar eens - och - ook voor oom Jacob durft hij zijn hart niet uit te storten - de onzekerheid van zijn toekomst weegt nu opeens weer dubbel zwaar op hem. Maar deze dag zal niet zo somber voor hem eindigen als hij begonnen is, want er wordt hem per schipper een pak boekjes uit Tholen nagezonden - het is het nieuwe boekje van Ds. Brummelkamp, die de brieven van Van Raalte, Sleyster en Louise Arnaud verzameld heeft onder motto: ,,Stemmen uit Noord-Amerika".
Het had op geen beter tijdstip van de pers kunnen komen.

In Borssele zijn de brieven van Van Raalte, Sleyster en de Arnauds reeds bekend geworden, doch het verheugt Arjaan dat hij een afschrift van Barendregts brief bij zich heeft.
Oom Leen en de zijnen zitten om de middagdis als Arjaan, zich bukkend door de lage deuropening, naar binnen stapt.


De reis van Johanna Liesveld , 11 april 1847.

Eerst in de avond zien zij een schip aankomen. Het is de Maasstroom, weldra gevolgd door de Catharina Jackson.
Het ziet er naar uit, dat zij de volgende morgen reeds het ruime sop zullen kiezen. Arjaan is er aanstonds op uit om informaties in te winnen, doch op de overvolle schepen worden geen bezoekers meer toegelaten.
De volgende morgen, als de eerste twee schepen reeds zijn vertrokken, ziet Arjaan de Nagasaki en de Vesta aankomen. Op het laatste moet zich ook Ds. Ypma bevinden met zijn Friezen. Als de Nagasaki een ogenblik stil ligt, loopt Arjaan onrustig langs de wallekant een probeert hij ook hier contact te krijgen met de opvarenden.
- Ja, roept er een, - Marcus is aan boord. Wacht, ik zal hem voor je roepen als ik hem vinden kan...
Het duurt veel te lang, maar als hij meent zijn vriend te ontdekken tussen al het volk, blijft zijn ogen rusten op een andere figuur...
- Lipsoom! roept hij luid en heft zijn hand op.
Ja - nu heeft ook Lipsoom zijn neef herkend. Hij komt naar voren, zodat ze elkaar kunnen beroepen.
Arjaan verneemt, dat tante Liesbeth aan boord is met Sitske en de jongens en ook Johanna Liesveld, de verloofde van Sleyster.

Johanna Liesveld ontpopt zich als ziekenverzorgster, ze heeft in het Nieuwe Weeshuis haar handen leren uitsteken; alle kinderen zijn dol op haar, want 's avonds zingt zij de zieke en gezonde kinderen in slaap.

Ds. Scholte is de vier zeilschepen, waarop zijn volgelingen de oceaan trotseren, via Londen naar Liverpool vooruitgereisd, om na een voorspoedige overtocht van dertien dagen met de snelle stoomboot Sarah Sand in Boston voet aan wal te zetten op de nieuwe wereld. Het dof gedreun der machinekamer heeft hem als muziek in de oren geklonken, het kan hem niet snel genoeg gaan.
Duizend en een toebereidselen, voorzorgsmaatregelen en besprekingen staan nog op zijn programma zodra hij in Amerika zal zijn aangekomen, want de weinige weken, die hij de landverhuizers voor is, heeft hij hard nodig ten einde stagnatie in hun overlandreis te voorkomen. Een nieuwe wereld is hij tegemoet gereisd; een nieuw leven wacht hem. Hij heeft bij het verlaten der oude wereld het stof van zijn voeten geschud. Met de aanbevelingsbrief van de vertegenwoordiger der Verenigde Staten in Nederland reist hij naar New York, waar hij door de oud-Hollanders bij monde van Ds. Thomas de Witt hartelijk wordt ontvangen en aanstonds wordt uitgenodigd te prediken voor de nazaten der Hollandse pioniers.
Het eerste wat de passagiers der Nagasaki van Amerika zien is de grote havenstad Baltimore, waar de zonde evenzeer hoogtij viert als te Rotterdam, doch waar de Hollandse zindelijkheid al te zeer gemist wordt. Een grote, morsige stad, waar een ongelofelijke drukte heerst. Veel tijd wordt hun hier echter niet gelaten.

Scholte is overal en nergens, hij is dag en nacht in de weer om het volk zo spoedig mogelijk weg te krijgen naar St Louis, het voorlopige rust- en verzamelpunt, waar de beslissing zal vallen nadat een kleine commissie zich naar lowa zal hebben begeven om land te kopen. Het gelukt Lipsoom niettemin een ogenblik op Scholte beslag te leggen. Aan zijn zijde staat Johanna Liesveld en als hij deze voorstelt als de verloofde van Roelof Sleyster, legt Scholte vaderlijk zijn hand op haar schouder.
- Jongedochter... ik heb goede berichten voor je. In Albany overhandigde Ds. Wyckoff mij een brief van Sleyster. Hij is nog steeds te Wisconsin. Weliswaar is hij het grote meer overgestoken om een bezoek te brengen aan de nederzetting van Van Raalte in Michigan, maar wat ik heb voorzien is gebeurd:
Sleyster is naar Wisconsin teruggekeerd met het voornemen aldaar te blijven. Hij hoopt, zodra wij enigermate kunnen overzien waar we ons zullen vestigen, zijn verloofde te komen halen.

Duizend gedachten doorstromen zowel het hoofd van Lipsoom als dat van Johanna Liesveld . Wanneer ze elkaar aanzien, vertolkt Lipsoom beider gevoelen als hij spijtig zegt: - Wij hadden gehoopt op één grote nederzetting. Nu geraken wij straks toch nog uit elkander: Sleyster in Wisconsin, Ds. van Raalte in Michigan en de volgelingen van Ds. Scholte...?
- In lowa, als 't God belieft.
- Heeft u dus voor goed afgezien van Michigan?
- Ja, broeder Lips. Inderdaad. Niet alleen acht ik die streek te noordelijk gelegen, doch ook het gebrek aan toegangswegen is een der redenen van mijn besluit. Er is geen bouwgrond, alleen dicht en zwaar geboomte. Bovendien zijn de Indianen daar nog niet verdwenen en zit men geďsoleerd van de buitenwereld. Mijn landverhuizers denken aan grňnd, geschikt om te bearbeiden en dus hoe gemakkelijker hoe beter! Eg en ploeg door het land drijven en grasvelden met melkvee, dáár voelen deze mensen wat voor, maar praat hen er niet van om de bijl voor de spade te kiezen, laat staan dat zij houthandelaars zouden willen worden.
Er is iets in de redenering dat Lipsoom tegenstaat.
- Ik ben geen boer, zegt hij. - U zult wel gelijk hebben...
- Laten wij elkaar niet verkeerd begrijpen, zegt Scholte, die intuďtief voelt dat zijn woorden bij de vakman Lipsoom niet in goede aarde vallen.
- Ook vaklieden hebben wij broodnodig, maar de meeste mensen onzer vereniging zijn boeren en nog eens boeren. Die willen voor hun goede geld niet in een oerwoud terecht komen. Dus, mejuffrouw Liesveld , het staat u vrij met ons mee te reizen naar St. Louis. U bent dan een heel eind op weg naar uw bruidegom.
- Ik ben u heel dankbaar, dominee, en ik vertrouw dat Sleyster een goede keuze gedaan heeft, al spijt het mij dat wij ons niet kunnen verenigen met de grote nederzetting, zegt zij welgemanierd.
Maar dan is Scholte alweer in beslag genomen door volgende bezoekers.

Ten prooi aan de meest uiteenlopende gevoelens, verlaten Lipsoom en Johanna Liesveld het hotel. Zorgvuldig houden zij de houten trottoirs; het is hier akelig druk en rommelig. Koeien en varkens lopen door de straten en als zij moeten oversteken, zakken ze tot de enkels in de modder. - Lipsoom, zegt Johanna, ik hoop dat u ook naar St. Louis meereist?
- Als het aan mij lag, niet, zegt Lipsoom ronduit - maar ik ben aan de vrouwen overgeleverd, vervolgt hij wat grimmig. - Mijn hart trekt naar de woudkolonie, maar Liesbeth en ik zijn nog niet los van Sitske... je begrijpt wel wat ik bedoel... en voor Liesbeth is de prairie waarschijnlijk gezonder dan de bossen.

De trein- en bootreis

Half juni kan de eerste groep vertrekken; hun goederen staan opgeslagen aan het station.
Het leven in Baltimore, dat zij nu vijf dagen hebben meegemaakt, gaat zijn gewone driftige gang. Honderden schepen komen en gaan en de bewoners letten nauwelijks op de talloze groepen landverhuizers, die hier aankomen en weer vertrekken, hoewel deze Hollanders, die in hun properheid wel opvallend verschillen van de haveloze Ieren, alleen reeds de aandacht trekken door hun omvangrijke bagage, waarvoor zij de grootste zorg hebben. Zij hebben ook goud gewisseld. Er zijn Amerikanen die deze HolIanders reeds aanduiden met ,,Willempjes", hoewel hun tong zich moeilijk plooit tot dit meest geliefde woord uit het onverstaanbare Dutchmantaaltje.

Lipsoom, die door zijn rustig optreden en diakenambt enig ontzag heeft, krijgt allerlei werkjes op te knappen. Hij heeft "The Little American" in zijn zak met de uitspraak ernaast, doch zijn handen en mimiek spreken de internationale taal waarmee iedere immigrant zich probeert te redden.
Het eerste doel waarheen de trein hen brengt, is Columbia in Pennsylvania. Wanneer de trein zich in beweging gezet heeft, ondergaan de reizigers een groot en machtig gevoel. Zij reizen reeds op Amerikaanse bodem en de wagens denderen over de rails - sneller, sneller gaat het nu en wie zich even kan losmaken van de zorg voor de bagage en de kinderen, ziet door de ramen naar het vreemde landschap, dat hen voorbijsnelt.

Als in de verte de blauwe heuvels zichtbaar worden, geeft Lipsoom door: de bergen! En allen dringen zich voor de ramen - kinderen van het vlakke polderland aanschouwen de wonderwerken Gods!
- Hoe groot zijn Heer Uw werken. Hoe ver gaat Uw beleid. Gij stelt met mogendheid elk deel zijn juiste perken! Ook in het reizen leven zij dicht bii het Woord.
0, sommige harten zijn zo vol... zo vol! Nu eens zwijgen zij in diepe ontroering, dan weer vloeien de lippen over.
In de lange wagon, aan weerszijden waarvan de reizigers hebben plaats genomen (de handbagage staat in het middenpad opgestapeld), bevindt zich ook ene Sjoerd Sipma met zijn jonge vrouw Jantje de Vries, een schrandere Friese boeren-arbeider, die met de Pieter Floris van Den Helder uit de overtocht heeft gemaakt.
Hij is spoedig goede maatjes met Jan Hendrik Marcus en Jantje sluit zich aan bij Sitske en Johanna Liesveld . Drie jonge vrouwen, voor wie de ongemakken der reis te lichter vallen, naarmate zij het doel naderen.

Nog diezelfde dag komen zij te Columbia aan. Hier wacht de kanaalboot met bestemming Hollidaysburg. Het overladen van passagiers en bagage geeft een vrolijke doch gespannen drukte. Het loopt tegen de avond - de kinderen krijgen behoefte aan slaap.
De meesten zijn verheugd vóór de nacht uit de trein te zijn, doch als ze enige uren later als haringen in een ton de boot ingeduwd worden, begint zich allengs een gevoel van onbehagen van hen meester te maken.

Met nauwelijks voor ieder een zitplaats en volkomen gemis aan slaapgelegenheid, gaan ze de eerste nacht in. Ieder schikt zich zo goed mogelijk, doch het geheel krijgt onafwendbaar het aanzien van een chaotische dooreengemengde volkshoop. Het kanaal, dat ook hier langs de rivier loopt en van daaruit gevoed wordt, gaat steeds hoger op: meer dan honderd schut-sluizen zullen zij nog passeren eer zij in Hollidaysburg aankomen.

Na een week verlaten ze Hollidaysburg per trein. De natuur biedt hier het aanzien van woeste schoonheid, niettemin reeds dienstbaar gemaakt aan het vernuft der mensen. De trein snelt door het berglandschap, nu eens zwoegend bergopwaarts, dan weer in razende snelheid naar beneden.
Eens schieten zij dwars door een bergwand heen. Nog diezelfde dag bereiken zijn Johns-Town, waar het opnieuw de kanaalboot is die hen enige dagen en nachten zal herbergen eer zij te Pittsburgh een zondag zullen overblijven.

Ieder moet voor zijn eigen kost zorgen, doch van warm eten komt niets. De moeders hebben de hoofden bijeengestoken, want het gaat zo niet langer: ze móeten pap koken - er is geen houden aan. Nu reeds is het de kinderen aan te zien, dat zij er onder beginnen te lijden. Een enkele gelukt het tijdens een kort oponthoud aan een aanlegplaats met hulp van de inwoners iets warms klaar te maken, doch de stemming wordt hoe langer hoe slechter. Komt er dan nooit een einde aan deze reis? Zo vaak vraagt een kindermond: Blijven we nu hier wonen? Ook voor hen is het nieuws er al lang af.
De zenuwen zijn tot het uiterste gespannen; niet zelden vallen er harde woorden, gevolgd door vrouwentranen.

In Pittsburgh zijn ze na negen dagen op de helft der reis, zonder uit de kleren te zijn geweest, maar hier, in deze rokende fabrieksstad zijn er, de hemel zij dank, voor wie geld heeft nog logementen.
Scholte spreekt er 's zondags in een welwillend daartoe afgestane kerk over de wijze en dwaze maagden; de lampen brandende: want de bruidegom komt!

Opnieuw worden zij straks als schapen opeen gedreven.
- Als we eerst maar bij de Ohio zijn, zegt Lipsoom, - dan koersen we aan op de stad Cincinnati en komen we bij de Mississippi, bemoedigt hij.
Hij behoeft het hun niet eens te zeggen, want voor de meeste der medereizigers is een stad een stad en een rivier een rivier. Ze weten alleen maar dat het lang duurt, veel te lang, en dat de zeereis heilig was vergeleken bij deze landreis waardoor ze naar lichaam en ziel worden afgemat. De stemming gaat zienderogen achteruit; doffe onverschilligheid begint zich van hen meester te maken.
- Maar dat mag niet... zegt Lipsoom, en hij zet een psalm in: De Heer is mij tot hulp en sterkte.
Ja - reeds zingen er enigen mee. 0, wat is toch een mens, die zijn God loslaat...

Eindelijk, de Mississippi!
De grote rivier, waarvan Barendregt geschreven heeft. Aan deze rivier, met zijn grillige bochten en zijn dichtbezoomde oevers met zijn ontelbare schepen, ligt ook de stad St. Louis, het voorlopig rustpunt, waar zij op verhaal zullen komen. En dat zal werkelijk geen overbodigheid zijn.
De laatste boot is niet de slechtste, zodat ze hun benen reeds kunnen strekken.
Het is nu vol zomer geworden en de avonden zijn onvergetelijk schoon. Wanneer zij 's avonds op het dek zitten, gebeurt het wel, dat zij, tot verbazing der vreemde passagiers, hun psalmen zingen: Een net belemmerde onze schreden - God zij altoos op het hoogst geprezen - Geloofd zij God met diepst ontzag - Gij maakt eerlang mij 't lévenspad bekend, waarvan in druk 't vooruitzicht mij verheugde.

De aankomst in St. Louis

Aan de haven van St. Louis staat een man op de uitkijk. Hij wacht op de boot met landverhuizers van Ds. Scholte, waarvan hij per ijlbode bericht kreeg.
Hij heeft een vermoeiende reis achter de rug; zijn blokhuis op de prairieheuvel is tijdelijk gesloten, zijn gezicht is sterk gebruind, alleen zijn kleding verraadt nog dat hij geen geboren Amerikaan is.
Twee dagen wacht hij reeds - en deze twee dagen duren hem langer dan de veertien maanden die hem nu reeds scheiden van zijn aanstaande jonge vrouw, die hij op die geurige Hollandse mei-avond in Arnhem tot weerziens kuste.
Het is Roelof Sleyster, voor wie de behouden aankomst der Nagasaki het grote ogenblik betekende, waarop hij had gewacht.
- Kom mij halen in St. Louis, schreef Johanna Liesveld .
Ieder ogenblik kan zij hier zijn en binnen weinige dagen zal zij zijn wettige vrouw zijn. Hij gevoelt zich reeds thuis in Waupun.
Hoezeer het hart hem trok naar de broeders in de wouden van Michigan, hij kon niet besluiten zijn bezittingen in Wisconsin te verkopen. De heerlijke afwisseling van bos en prairie, het vruchtbare land - hij wil het niet ruilen voor het ontginnerswerk in de wouden.
Zijn huis is gereed om zijn bruid te ontvangen...

Op de boot, die de haven van St. Louis binnenvaart, staat het weesmeisje uit Arnhem. Zal hij er zijn? Haar hart klopt in de keel als zij aanleggen en zij scherp tuurt om de geliefde te vinden in de wirwar van mensen op de kade.
Dan - opeens, ziet ze hem; hij heeft de hoed afgezet.
- Roelof... roept ze ontroerd en ze wuift met haar zakdoek. Ook hij heeft haar herkend, al is zij blootshoofds, zoals de meeste Amerikaanse vrouwen.
Haar ogen schieten vol tranen, doch dan lacht ze al weer.
Lipsoom en Sitske staan naast haar en delen mee in haar vreugde.
Hij treedt toe op het schip, waarvan reeds een loopplank is uitgelegd. Dan omarmen ze elkaar - de zon van hun ge luk staat hoog aan de hemel.


Op bezoek bij Roelof Sleijster in Alto, aug 1848

Zoals de meeste inwoners van Pella, heeft ook Lipsoom een tuin rond zijn huis aangelegd. Behalve de schaduwbomen heeft hij vruchtbomen geplant en Sitske slijt een groot deel van de dag in de moestuin, waar de bonenbedden gewied moeten worden, de aardappelen aangeaard, de bessestruiken leeggeplukt en nog duizend andere kleine werkjes om een zorgzame hand vragen.
Ze plukt de rijpe meloenen en heel de zomer is er het stille feest van bloemen en vruchten.
Het land van Marcus, waarvan zij de enige erfgename is, ligt onbebouwd, want Lipsoom en de jongens blijven in het timmervak. Er zijn reeds kopers geweest, doch op aandringen van Lipsoom laat Sitske het land nog liggen. Er is genoeg ander land te koop. Het wordt elk jaar meer waard en het is Sitskes enig bezit. Zodra zij het nodig mocht hebben, kan zij het te gelde maken.
Het is Scholte geweest, die, na het ongeluk van Jan Hendrik, Sitske in nauwere aanraking heeft gebracht met zijn vrouw, aan wie het is toevertrouwd de jonge weduwe wat afleiding te bezorgen.
Sitske, gewend aan het pastorieleven in Arnhem, weet zich wonderlijk snel aan te passen, al heeft ze spoedig het grote verschil opgemerkt tussen de echtgenoten van Brummelkamp en Van Raalte en deze tweede vrouw van Scholte, die zeker een bizondere vrouw genoemd kan worden.

Als Mareah bemerkt dat Sitske kijk heeft op modeplaten, vraagt ze haar wekelijks een dag op de pastorie te komen om haar en haar dochters te helpen met de verzorging van haar uitgebreide garderobe.
Sitske weerstaat de praatjes van de vrouwen in Pella; zij voelt zich hier, in de uitzonderlijke sfeer van deze pastorie, volkomen thuis.
Iedere avond bidt zij of God haar de weg wil effenen om zich met Bas te verzoenen.
Op een hete augustusdag komt er toch een brief uit Wisconsin, geadresseerd aan Lipsoom, van Johanna Sleyster, die meedeelt dat Bas Kraayvanger, na veel omzwerven, bij hen is aangekomen en dat hij sinds weken ziek ligt. Voor het overige maken zij het goed. Hun is een dochter geboren en haar man bedient ook in alle eenvoud het Woord.
- De arme jongen... zegt tante Liesbeth. Maar Sitske zegt alleen: - Ik wil er heen.
- Wat een dwaasheid.. . dat is weer echt iets voor Sitske, hoor... Hoe zou jij als vrouw alleen zo'n verre reis doen...
- Ik kan met een gezelschap meereizen... Er zijn wegen genoeg om in Wisconsin te komen. Als Bas er gekomen is kan ik er ook komen.

Lipsoom krabt met een kort potloodje in zijn haren. - Van Keokuk zal er wel een boot de Mississippi opvaren in de richting van Chicago. En vandaar kan je met de boot naar Milwaukee over het Michigan-Meer. Het is een heel eind weg. We moeten er eerst een nachtje over slapen... zegt hij. Die nacht liggen er twee wakker: Lipsoom en Sitske, en als het ochtend geworden is en Sitske geel en groen van de hoofdpijn opstaat, ontmoeten ze elkaar bij de waterput, waar Lipsoom zijn hoofd koelt.
- Lipsoom... ik wil naar Bas. U moet me helpen... Ik heb er om gebeden - ik wil het met hem in orde maken...
- Wij gaan samen, zegt hij.
- Dank u, Lipsoom...

Als zij een week later in Keokuk op de boot stappen en onder een strakke augustushemel het gewemel van de schepen op de Mississippi aanzien, begint Lipsoom zich hoe langer hoe meer te verzoenen met de roekeloosheid van deze dure reis. Hij heeft zijn zwart zijden pet op en draagt een zwart pak. Hij zou tot de geestelijke stand kunnen behoren, ware het niet dat zijn handen de werkman in hem verraden. Sitske heeft aarzelend haar luifelhoed te voorschijn gehaald - over haar groene geruite japon draagt ze een donkere zomermantel, een reiscostuum dat er tegen kan. Maar van de hoed heeft ze nu al spijt, want de Amerikaanse vrouwen lopen blootshoofds.
- Allemaal fratsen... zegt Lipsoom, voor wie het met ongedekten hoofde op reis gaan tot de dwaasheden dezer, eeuw behoort.
Maar Sitske trekt aller aandacht. Het klapkorfje waarmee zij in Arnhem naar Van Raalte en Brummelkamp ging, heeft zij aan de arm. Ook Lipsoom heeft wat lijfgoed in een klein, door hem zelf gemaakt houten koffertje. Meer torsen ze niet mee, want Lipsoom heeft een hekel aan bagage. De herinneringen aan de moeizame reis van '47 zijn nog levend... Wat een gewemel van mensen!
Ja, dit is Amerika, deze rusteloze menigte die nog niet verankerd is aan een plekje grond en elk ogenblik bereid zich opnieuw in beweging te zetten om het geluk elders te beproeven.
Lipsoom laat geen gelegenheid voorbijgaan landgenoten aan te klampen, want geen boot op de grote rivieren in Amerika of er bevinden zich Nederlanders op.

Op de tweede dag ontmoet hij een Winterswijker, die Sleyster kent en zelf op weg is naar Fond du Lac. Lipsoom ziet er een bestiering in, want (hoewel hij het tegenover Sitske verzweeg) hij heeft reeds begrepen, dat de reis niet zonder bezwaren zou zijn zonder de hulp van een betrouwbare gids.

Het is Sitske alsof zij maanden op reis is geweest als zij eindelijk, in Waupun aangekomen, het huis op de heuvel in zicht krijgen.
Wat is het hier stil, denkt ze aldoor. Slechts het murmelend geluid van een klein stromend water is al wat zij hoort. Maar dan is er ook een vrouwenstem. Het is Johanna, die zingt.
Het vertrouwde geluid van een rustig gezongen psalm in de stilte.
In een flits overziet Sitske de laatste jaren van haar leven sinds ze Arnhem verliet. Bas, denkt ze en een niet te stillen ontroering welt in haar op. Hoe heeft ze hem ooit van zich kunnen vervreemden? Langzaam klimmen ze tegen de begroeide heuvel op. Het huis is reeds omgeven door bomen - de akkers aan weerszijden zijn weer kaal. De oogst is binnen. Het is Roelof Sleyster die, als hij toevallig door het raam ziet, de beide gasten in het oog krijgt...
- Bezoek, Johanna... Zijn vrouw, die het kind heeft geholpen en het nog in haar arm houdt, ziet over de schouder van Roelof, wie daar naar boven klimmen.
- Ik geloof, dat ik het zie... zegt Sleyster. Ja, nu gaat ook Johanna een licht op. Intuďtief legt ze het kind neer en volgt ze haar man. Ontroerd treden ze samen gasten tegemoet. Wanneer Sitske die avond het kleine vertrek binnentreedt waar Bas Kraayvanger zich heeft neergelegd om niet weer op te staan, bidt ze dringend om kracht. Bas is door Johanna voorbereid en van dat ogenblik af heeft hij de deur niet meer uit het oog verloren. Ze staat naast zijn bed zoals ze is: jong en schoon. Het leven bloeit. Het moet hem in zijn krachteloosheid wel hevig wonden. Maar hij ziet stralend naar haar op. - Sitske! Ze buigt zich over hem heen en kust hem op zijn voorhoofd
- Bas... wat heb ik je veel verdriet gedaan... wil je me vergeven?
Hij bijt zich op de lip en ook Sitske moet zich tot het uiterste inspannen om niet in snikken uit te barsten. Dat ze hem zó moet weervinden.
- Is alles goed tussen ons? vraagt hij. Ze knikt heftig en neemt zijn hand.
- Heb je mij vergeven, Bas?
- Ja, Sitske... Er valt een stilte tussen hen. Uit het belendende vertrek klinkt gedempt stemmengeluid.
- Vader en moeder... zegt hij moeilijk.
- Ik heb zoveel aan hen gedacht... Wij waren als kleine kinderen al bij elkaar... Sitske zegt het met een snik, want het is de eerste maal dat zij Bas willens en wetens tegemoet komt in zijn "oude rechten". Er breekt een glimlach bij hem door en ook Sitske hervindt snel haar evenwicht.
- Ik heb veel moeten tobben over het waarom... zegt hij.
- Maar Roelof komt iedere avond bij mij bidden... Ik hoop vader en moeder weer te zien... Dan komt Johanna het ziekenvertrek binnen.
- Ja... ik kom... zegt Sitske. Bas sluit de ogen. Wat is zijn gezicht smal geworden, denkt Sitske nog. Voor zij heengaat opent hij de ogen en steekt haar zijn hand toe. Als zijn magere vingers in haar rode warme hand liggen, kijkt hij er naar. Dan keert hij het hoofd naar de wand.

-----

- Dat ongeluk heeft mij aan het denken gebracht. Ik kon het niet vatten. Ik wilde er niet aan, zie je. . . Ik moet je vertellen wat je misschien al weet, dat ik twijfelde of Bas zijn uiterst best wel had gedaan om hem te redden. Ik heb nog wel ergere dingen gedacht... Ik was mij zelf niet meer. Nooit zal ik kunnen vertellen wat voor wroeging ik hierover gehad heb toen Bas weg was. Ik heb hem nog om vergeving kunnen vragen voor hij stierf bij Sleyster. Dan zwijgt Sitske.
Arjaan heeft geen lust haar te ondervragen. Het leven zelf heeft hen hier weer samengebracht. Sitske is vrij Ze loopt naast hem, bloeiend als de lente op de prairie. De muur, die tussen hen stond toen hij hier kwam, is deze middag voor een groot deel reeds geslecht. Het is, alsof ze elkaar steeds nader komen, alleen maar door het vertellen van alles wat ze nog niet wisten van elkaar.

-----

Roelof | Schilderij-1 | Schilderij-2 | Alto | Landverhuizers | Aaron | Brief Jacoba | Interview JacobaOverzicht.pdf

top